|
mevrouw Meyrem Almaci aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over "het wettelijk kader voor het gezamenlijk aanbod"(nr. 13806)
Bron en volledig verslag http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/52/ic606.pdf
COMMISSIE VOOR HET BEDRIJFSLEVEN, HET WETENSCHAPSBELEID, HET ONDERWIJS, DE NATIONALE WETENSCHAPPELIJKE EN CULTURELE INSTELLINGEN, DE MIDDENSTAND EN DE LANDBOUW Woensdag 24-06-2009… Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, het arrest van het Europese Hof van Justitie heeft heel wat stof doen opwaaien. Op dit moment is er een redelijk grote consensus over het feit dat er omtrent de huidige wetgeving op de handelspraktijken in het algemeen en meer specifiek inzake het gezamenlijke aanbod een grote rechtsonzekerheid is ontstaan. U hebt op een bepaald moment persoonlijk in het journaal verklaard dat er volgens u geen wetswijziging nodig is om de koppelverkoop vanaf het moment van het voornoemde arrest in ons land toe te laten. Wie echter het arrest van het Europese Hof van Justitie leest, leest er heel duidelijk in dat er geen vrijgeleide aan de koppelverkoop wordt gegeven. Wel wordt in het arrest de wetgeving aangevallen zoals ze in België was, met name inzake het principiële verbod. De richtlijn moest voor 12 december 2007, dus nog onder uw voorganger, zijn omgezet, wat niet is gebeurd. Dat is op zich al een zware vaststelling. Dat was dus in 2007. Gezien het feit dat de omzetting van de richtlijn op zich laat wachten, worden er ook steeds meerproblemen vastgesteld. Niet alleen TestAankoop heeft een aantal voorbeelden opgelijst. Mijn collega heeft daarnet ook een van de bedoelde voorbeelden opgenoemd. Uit de voorbeelden blijkt duidelijk dat door de grote onduidelijkheid de koppelverkoop vaker in het nadeel dan in het voordeel van de consumenten zou kunnen zijn. Ook is de transparantie zoek en komt de keuzevrijheid van de mensen in het gedrang, wat uw verantwoordelijkheid is. In uw hoedanigheid van minister die deels voor de toepassing van de wetgeving en voor de omzetting van de richtlijn bevoegd is, moet het bieden van rechtszekerheid inzake de bescherming van de consument een van uw prioriteiten zijn. De vraag is of uw opmerking over het creatief ondernemerschap in voorgaand kader past. Ik heb een aantal vragen opgesteld. U hebt ze ook schriftelijk gekregen. De eerste vraag betreft de stand van zaken in de omzetting van de richtlijn. Wanneer zal een wetsontwerp effectief aan de Ministerraad worden voorgelegd en in het Parlement worden ingediend? Klopt het dat alle, noodzakelijke adviezen ondertussen zijn overgebracht? Indien dat klopt, waarom laat het wetsontwerp dan zo lang op zich wachten? Wat is de maximale periode voor de omzetting van die Europese richtlijn? Denkt u dat daarmee de rechtsonzekerheid ook zal verdwijnen? Acht u het wenselijk om tijdelijke maatregelen te nemen opdat die onzekerheid wordt weggenomen? Zo ja, welke maatregelen hebt u onder meer in gedachten? Hoeveel klachten hebt u ondertussen ontvangen? Hoeveel klachten hebben uw diensten ontvangen sinds 23 april 2009, de bekendmaking van het arrest? Hoeveel klachten hebt u ontvangen sinds 1 januari 2009? Hoeveel klachten inzake gezamenlijk aanbod hebt u in 2008 geregistreerd? Kunt u daarover een toelichting geven? Hoeveel gevallen van koppelverkoop hebt u vastgesteld sinds de dag van het arrest? In welke mate laat de Europese richtlijn volgens u toe om te verplichten dat die producten en diensten die gezamenlijk worden aangeboden ook apart worden aangeboden? Daarop verder bouwend had ik graag ook geweten in welke mate het binnen de huidige Belgische wetgeving enerzijds en binnen het kader van de Europese richtlijn anderzijds strafbaar is om bijvoorbeeld een laptop aan te bieden met een operating system van Microsoft, zonder enige mogelijkheid te bieden op een alternatief operating system. …
Minister Vincent Van Quickenborne: Mijnheer de voorzitter, ik wil toch duidelijk stellen dat een aantal collega’s vragen stellen die onjuist zijn, ze stroken in ieder geval niet met de realiteit. De Europese richtlijn is door mijn voorganger met de wet van 5 juni 2007 wel degelijk omgezet in Belgisch recht. De wet werd van kracht op 1 december 2007. De vraag is dus niet of die richtlijn ja dan nee is omgezet, maar wel of ze juist is omgezet. Het antwoord is: nee, ze werd niet juist omgezet. Met andere woorden, in de wet werd de richtlijn op het punt van de koppelverkoop niet gerespecteerd. Dat is de uitspraak van het Europees Hof van Justitie in het arrest van 23 april. In een prejudiciële vraag, een toetsing van onze wetgeving aan de richtlijn zoals bij ons het Grondwettelijk Hof dat doet, is vastgesteld dat de Belgische regelgeving niet strookt met de Europese richtlijn. Met andere woorden, draai de rollen hier niet om. De wetgeving werd verkeerd omgezet en Europa heeft gezegd dat die juist moet worden omgezet. Wetgeving die op algemene en proactieve wijze beperkende regels vastlegt over de koppelverkoop of die aangelegenheid conditioneert, is strijdig met de Europese regelgeving. Een uitspraak van het Europees Hof heeft hetzelfde effect als een uitspraak van het Grondwettelijk Hof. De Grondwet staat boven de wet, de Europese richtlijnen staan boven onze wetgeving. Als men niet akkoord gaat met de Europese wetgeving, moet men Europees parlementslid worden en moet men de richtlijnen hervormen. De uitspraak van Europa is dat koppelverkoop is toegestaan. België was het enige land van de 27 lidstaten met dat verbod. U weet van mij dat ik al tien jaar vind dat dit verbod is voorbijgestreefd. Uiteindelijk heeft Europa zo geoordeeld. Ik weet dat dit een aantal collega’s bedroeft. Als u zegt dat Europa niet van tel is, dan moeten we misschien de regels herschrijven en zeggen dat Europese richtlijnen ondergeschikt of nevengeschikt zijn aan onze wetgeving. Eigenlijk was het punt dat een aantal ondernemersorganisaties in de discussie wilden maken, de mening dat koppelverkoop niet onder de desbetreffende richtlijn viel, omdat koppelverkoop geen handelspraktijk was. Europa heeft evenwel gesteld dat koppelverkoop wel een handelspraktijk is. Met andere woorden, de regels inzake de handelspraktijken zijn van toepassing. Ten aanzien van de concrete zaken die werden aangehaald en de gestelde vragen kan ik het volgende zeggen. Mevrouw Almaci, wat het aanbieden van een pc met een welbepaald besturingssysteem betreft, in de administratieve praktijk werd dit steeds beschouwd als een product dat een geheel uitmaakt of, anders gezegd, als een door de Belgische wetgeving toegelaten gezamenlijk aanbod. Dat was ook al het geval onder de oude wetgeving. Dat was, met andere woorden, eigenlijk niet het discussiepunt. Toen wij nog een verbod hadden op koppelverkoop, vóór het arrest, waren er een aantal zaken die samen mochten worden verkocht. Eureka, zou ik zeggen. Men mocht in ons land bijvoorbeeld, dames en heren, een linkerschoen samen met een rechterschoen verkopen. Dat stond expliciet zo omschreven in de wetgeving. Men mocht een fles water verkopen, zijnde water met een fles daarrond. Dat mocht volgens de wet. De verpakking mocht verkocht worden. Anders zou het natuurlijk absurd geweest zijn. Toen kwamen er hele discussies op gang. Tafels en stoelen mochten samen verkocht worden, maar er werd een hele rechtspraak ontwikkeld over een tv met een videorecorder. Men heeft dan als een van de uitzonderingen op het verbod ingeschreven dat bijvoorbeeld een computer met software verkocht mocht worden. U haalt hier natuurlijk een andere discussie aan, mevrouw Almaci, over Microsoft, maar dat is iets wat Europees wordt behandeld. Dat weet u. Dit Parlement heeft met de goedkeuring van het project “Internet voor iedereen” van mijn voorganger Peter Vanvelthoven ook expliciet een uitzondering op het verbod op koppelverkoop ingeschreven. Men heeft toegelaten dat men een computer met internet kon kopen. Dat was toen een uitzondering. Sinds het arrest kan dat in elk geval wel degelijk. Wat de koppelverkoop van een gsm met een abonnement of van een pc met andere diensten, zoals een internetverbinding of digitale televisie betreft, kan er, zoals ik reeds heb gezegd geen sprake meer zijn van een overtreding. Wel zal elk aanbod worden onderzocht, op het ogenblik van een klacht, in het licht van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken. Ik geef een aantal voorbeelden daarvan. Wanneer bij de uitnodiging tot aankoop essentiële informatie, zoals opgesomd in de wet, wordt weggelaten, dan is er sprake van misleidende omissie. Wanneer er bijvoorbeeld onduidelijkheid bestaat over het prijsvoordeel dat de consument kan behalen wanneer hij ingaat op een gezamenlijk aanbod, dan zal er sprake zijn van een misleidende handelspraktijk. Dit zijn maar twee voorbeelden, maar zij maken duidelijk dat de verkoper zorg aan de dag moet leggen om de consument niet op het verkeerde been te zetten. Als men aan koppelverkoop doet, dan moet men, met andere woorden, de consument goed informeren. Een wetswijziging dringt zich inderdaad op, niet omwille van de uitspraak van het Europees Hof, maar wel omdat ons land, naast de uitspraak van het Europees Hof, door de Europese Commissie in gebreke is gesteld, onder meer wegens het verbod op koppelverkoop, en dat op 29 januari van dit jaar. Met andere woorden, als wij de wetgeving niet aanpassen, riskeren wij zelfs een inbreukprocedure en boetes vanwege het Europese niveau. Die aanpassing moet er dus komen. Het overleg daarover is aan de gang, en ik hoop dat wij over enkele weken uitsluitsel zullen hebben. De reden waarom wij tot nu toe geen besluit hadden genomen is dat ik als minister de eerlijkheid aan de dag heb gelegd de collega’s in de regering voor te stellen dat wij zouden wachten op het arrest, omdat het geen zin heeft er nu al voorbarige uitspraken over te doen .Tot daar, mijnheer de voorzitter, collega’s, mijn Antwoord … 01.07 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de minister, ik dank u voor uw uitgebreid antwoord en voor de geschiedkundige achtergrond. De hamvraag blijft echter of u vindt dat er vandaag een wettelijke omkadering van de koppelverkoop in ons land nodig is. Wanneer bent u desgewenst van plan dat kader te creëren? Dat is het probleem. Er is nu een consensus tussen de verschillende maatschappelijke actoren dat er rechtsonzekerheid bestaat. Wie het arrest leest,en daarin verschil ik van mening met u, leest niet dat het Hof zich heeft uitgesproken voor een volledig toelaten van koppelverkoop. Daarom is er de expliciete vraag om de rechtsonzekerheid weg te werken, de Belgische wetgeving conform de Europese rechtspraak te laten sporen en het legale vacuüm op te lossen dat er vandaag bestaat. Ik hou mijn hart vast als ik lees dat u de situatie wil laten zoals die vandaag bestaat. U moet als minister de transparantie en de vrije keuze van de consument garanderen. U zegt zelf dat dit grote voordelen kan hebben voor de consument. Er zijn echter al verschillende voorbeelden geweest, onder andere met betrekking tot die gsmabonnementen, waaruit bleek dat dit op lange termijn nadelig is voor de consumenten die door de kleine lettertjes het bos niet meer zien. U hebt het over creatieve ondernemers en een ondernemersorganisatie die klacht neerlegt tegen creatieve ondernemers. Als ik een vergelijking mag maken met de bankenwereld, het zijn creatieve bankiers die ons systeem om zeep hebben geholpen en die beleggingsproducten hebben verkocht aan kleine beleggers die niet wisten waar die producten voor stonden, maar die achteraf wel zwaar in de zak zijn gezet. Dat is een vergelijking die wel degelijk steek houdt. Ik wil u, als minister die de belangen van de consumenten moet waarborgen, oproepen om dringend werk te maken van die omkadering van de wetgeving en om in te gaan op de vragen van de consumentenorganisaties en van Unizo. |