|
Vraag van mevrouw Meyrem Almaci aan de vice-eerste minister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie, over "het verslag van de Food and Veterinary Office" (nr. 18644)
Bron: http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/52/ic777.pdf
COMMISSIE VOOR DE VOLKSGEZONDHEID – woensdag 3/2/010
10.01 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mevrouw de voorzitter, ik heb gezien op de agenda dat twee vragen van mijzelf zijn samengevoegd. De eerste heeft betrekking op de groepshuisvesting van de zeugen, waarover ook mijn collega een vraag heeft ingediend. De tweede vraag is eigenlijk ruimer. Ze gaat niet specifiek over de groepshuisvesting van zeugen, maar over het verslag van de Food and Veterinary Office. Als het goed is, zou ik die apart willen stellen, want dat zijn twee aparte vragen.
10.02 Staatssecretaris Jean-Marc Delizée : Ik heb een globaal antwoord voor de samengevoegde vragen. Ik geef liever een globaal antwoord op alles.
10.03 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Ik vrees dat dan ongetwijfeld een van de twee thema’s onrecht zal worden gedaan. Ik zal de twee vragen tegelijk stellen, hoewel ik niet goed begrijp waarom ze zijn samengevoegd. Ik zal beginnen met de groepshuisvesting van zeugen. Het is u ongetwijfeld bekend dat uit de recente enquête van het Instituut voor Landbouw en Visserijonderzoek, het ILVO, blijkt dat slechts een op vier van de bedrijven die intensief varkens houden, is overgeschakeld van individuele kooien voor drachtige zeugen naar groepshuisvesting. Zij volgen daarmee proactief een regel van de Europese Unie, die vanaf 2013 zal worden verplicht. Er rest ons dus niet al te veel tijd meer om onze bedrijven die overschakeling te laten doen. In totaal is 70 % van onze bedrijven op dit moment nog niet in regel. Slechts een kleine 7 % zegt plannen te hebben om zich in regel te stellen. Een kleine drie jaar voor de deadline is dat natuurlijk behoorlijk verontrustend. In andere landen, zoals Nederland, staat men op dit moment al veel verder. Daar is iets meer dan de helft van de bedrijven al overgeschakeld naar een groepshuisvesting en had meer dan een vierde al plannen om die omschakeling door te voeren. Er is dus op dat vlak toch een groot verschil tussen ons land en andere landen. Ik heb daarover een aantal vragen. Eerst en vooral, bent u op de hoogte van de bevindingen van het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek, het ILVO? Wat is uw appreciatie daarvan? Wat zijn uw opmerkingen? Ten tweede, zult u de sector, waar toch nog altijd twee derde niet in regel is, gezien de timing van de omzetting van de Europese regel, aanmoedigen om die regelgeving tijdig in te voeren? Hebt u reeds een soort begeleidingsplan om hen daarbij te helpen, want er zullen wellicht specifieke redenen zijn waarom een en ander nog niet is gebeurd? Hebt u ook een idee hoeveel bedrijfsleiders plannen om te stoppen voor 2013? Ik stel die vraag heel uitdrukkelijk, omdat sommige bedrijfsleiders in economisch moeilijke tijden misschien veeleer aan stoppen denken in plaats van opnieuw een omschakeling te doen. Het zou mij echter bijzonder vreemd lijken, mocht 70 % van de bedrijfsleiders die drachtige zeugen houdt, beslissen om ineens, binnen twee jaar, te stoppen. Dat zou op zijn minst een alarmbelletje moeten doen rinkelen bij onze overheden.
De tweede vraag die hieraan is toegevoegd, gaat over het verslag van de Food and Veterinary Office, dat ook in deze tijden bekend is geraakt. Eind december 2009 werd een audit gepubliceerd. Ook die heb ik bij mij. Daarin staat dat de regels inzake dierenwelzijn in ons land niet zo goed worden gevolgd. Die audit ging door in mei 2009. Er werden verschillende overtredingen vastgesteld, niet alleen over de groepshuisvesting van de zeugen, maar ook over dierentransporten, de vastgestelde oppervlakte-eisen per dier op boerderijen, het toezicht bij uitvoeren van ingrepen, zoals het couperen van staarten in slachthuizen. Daarnaast werd vastgesteld dat onze inspecteurs weliswaar inspecteerden, maar niet altijd een sanctie uitdeelden wanneer het nodig was. Het rapport is bijzonder interessant om volledig door te nemen. Het eindigt met veertien aanbevelingen. Bent u op de hoogte van de vaststellingen in de audit van het Food and Veterinary Office in de intensieve veehouderijen en slachthuizen? Hebt u dat rapport gelezen? Hebt u daaromtrent al reacties of opmerkingen geformuleerd? Welke van de veertien aanbevelingen zult u uiteindelijk opnemen? De doelstelling is hopelijk dat ons land de volgende keer hopelijk niet zo een slechte evaluatie zal krijgen in Europa.
10.05 Staatssecretaris Jean-Marc Delizée : Mevrouw de voorzitter, collega’s, ik heb inderdaad een globaal antwoord van de minister. Het is voor mij moeilijk het antwoord in verschillende delen op te splitsen. De minister heeft kennisgenomen van het onderzoek dat door Compassion in World Farming en de Europese Coalitie voor Landbouwdieren is uitgevoerd, evenals van de vaststellingen van het Food and Veterinary Office. Zij is tevens op de hoogte van de klacht tegen België, die Gaia en Compassion in World Farming bij de Europese Commissie hebben ingediend. Welk gevolg de Europese Commissie aan voormelde klacht zal geven, is niet bekend. Het klopt dat in België, net als in de meeste landen met een intensieve varkensteelt, bij de overgrote meerderheid van de biggen kort na de geboorte de staart wordt gecoupeerd. De varkenshouders voeren voornoemde ingreep uit, om te vermijden dat de varkens in hun staart beginnen te bijten, wat pijnlijk is en tot infecties kan leiden. De wetgeving bepaalt dat het couperen van de staart niet routinematig mag gebeuren. Het mag enkel in de gevallen waar staartbijten niet door een wijziging van de bedrijfsvoering kan worden voorkomen. Staartbijten is een complex probleem, waarover nog niet alles is geweten. Wel staat vast dat er verschillende oorzaken zijn. Het blijkt heel moeilijk om in de huidige, intensieve varkenshouderij, zoals ze in België bestaat, het probleem van het staartbijten op te lossen, ook indien aan alle, wettelijke vereisten wordt voldaan. Vanuit het oogpunt van het dierenwelzijn is het verkieslijker de staart te couperen dan de dieren onder staartbijten te laten lijden. De diensten zullen contact nemen met de dierenartsen die bij een varkensbedrijf als bedrijfsbegeleider zijn aangesteld en die een belangrijke, adviserende rol hebben. Zij zullen worden geïnformeerd en worden gewezen op de maatregelen die kunnen worden genomen om staartbijten te voorkomen, zodat het couperen van de staarten niet meer hoeft. In goede overeenkomst met collega aruelle zal er aan het FAVV worden gevraagd in varkenshouderijen streng op de toepassing van de bepalingen die op het staartbijten een invloed kunnen hebben, toe te zien. Het gaat dan om het verschaffen van verrijkingsmaterialen en het voorzien van voldoende oppervlakte en een goed ventilatie. Indien aan voormelde minimumvoorwaarden niet wordt voldaan, kan niet worden verondersteld dat wordt geprobeerd het staartbijten te voorkomen.
De rapporten van het FVO of Food and Veterinary Office worden steeds beschouwd als een goede audit en als een instrument om de controles te optimaliseren. Het is ook een motivatie voor de controlerende instanties van de verschillende lidstaten. In dit geval is het niet anders. De dienst Dierenwelzijn, die bevoegd is voor de opstelling van de normen, heeft reeds verschillende keren samengezeten met het Federale gentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, dat belast is met de controles, om de aanbevelingen van het FVO te bestuderen en te bespreken. In overleg is voor de 14 aanbevelingen van het FVO een actieplan voorgesteld. Het FVO heeft evenwel laten weten dat sommige van de voorgestelde actieplannen onvoldoende zijn. Het gaat om de aanbevelingen betreffende het voorkomen van het staartknippen bij varkens, het correcte gebruik van bedwelmingstechnieken bij slachtdieren en de te volgen procedure bij het afleveren van vergunningen voor veevervoerders. De minister heeft er bij haar diensten op aangedrongen, alsook bij mevrouw Laruelle, bevoegd voor het FAVV, om ook daarvoor naar een bevredigend antwoord te zoeken. Zoals eerder gezegd, zijn alle aanbevelingen van het FVO belangrijk en dienen zij dus allemaal aangepakt te worden.
Mevrouw Almaci had een vraag over de huisvesting van varkens. De minister heeft de bevindingen van het ILVO gelezen. Zij stelt vast dat de omschakeling naar groepshuisvesting voor varkens in België inderdaad stagneert en dat België wat achteroploopt, in vergelijking met Nederland. De omschakeling naar groepshuisvesting in Nederland is echter al langer aan de gang. Groepshuisvesting voor zeugen is in Nederland reeds sinds 1 november 1998 verplicht, bij nieuwbouw en bij renovatie van de stal of vloer. In België was dat pas het geval sinds 1 januari 2003. Voor een groot deel van de varkenshouders zetten de slechte economische situatie en de onzekere toekomst een belangrijke rem op hun investeringsplannen. Er zijn verschillende initiatieven genomen om de varkenshouders te informeren over de verplichting om over te schakelen naar groepshuisvesting voor zeugen. De Vlaamse overheid verzorgde verschillende informatiesessies en studiedagen. De sector is bijgevolg voldoende op de hoogte van de verplichtingen. De minister zal in overleg met de sector de toestand op de voet volgen. Vanwege de Gewesten is er begeleiding onder de vorm van investeringssteun. Varkenshouders die in Vlaanderen een nieuwe stal met groepshuisvesting bouwen, kunnen inderdaad rekenen op VLIf-steun. Die bedraagt 20 % van de investering. In Wallonië geldt dezelfde steun, maar slechts onder welbepaalde voorwaarden. Indien de varkenshouders aan bepaalde criteria beantwoorden, kan de steun verhoogd worden met een bonus van ten hoogste 10 %. Het einde van de loopbaan is inderdaad een van de redenen aangehaald door varkenshouders die geen plannen hebben om naar groepshuisvesting om te schakelen. De minister beschikt echter niet over het exacte aantal bedrijfsleiders dat overweegt te stoppen. Tot hier collega het antwoord van de minister op de samengevoegde vragen.
10.06 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Eerst en vooral, ik zal beginnen met het verslag van het Food and Veterinary Office en de evaluatie van dierenwelzijn in ons land. Het gaat natuurlijk om meer dan het couperen van de staart, dat een praktijk is die in ons land al langer gekend is als problematisch. Ik ben blij dat de minister de inhoud kent van zowel de klacht van Gaia als het verslag van het Food and Veterinary Office en dat zij de audit van het FVO als een goede audit omschrijft om de situatie te optimaliseren. U hebt gezegd dat er een actieplan is voorgesteld, maar dat er reeds reacties zijn gekomen van het FVO op het actieplan. Kunnen wij het actieplan ergens raadplegen? Kunnen wij het inkijken of is dat pas mogelijk nadat er weer een aanpassing is gebeurd? Ik vind dat toch wel belangrijk voor de evaluatie van het actieplan en de gevolgen ervan. Kunnen de leden van onze commissie dus inzage krijgen in het actieplan en de effectieve acties, die de samenwerking met Gemeenschappen en Gewesten en met minister Laruelle vereisen? Ik heb het dan niet alleen over het couperen. Ik heb het verslag hier bij me. Ik zal u niet voorlezen wat er staat over het bedwelmen en couperen. Vaak zijn er gewoon dierenartsen aanwezig, die een initiatief zouden moeten nemen maar dat gewoon niet doen. Een dier dat heel duidelijk aan het sterven is, wordt niet geëuthanaseerd op het moment dat dat zou moeten gebeuren. Bij een ander dier wordt de staart gecoupeerd zonder verdoving, terwijl dat wel moet gebeuren. Uiteraard is dat niet goed voor het imago van dierenartsen die bij dat soort van inspecties betrokken zijn. Het is ook niet goed voor de opdrachtgever van die inspecties, zijnde de overheid zelf. Het is vooral ook niet goed voor de dieren die op dat moment lijden. Er moet een degelijke aanpak komen. Ik hoop dat het actieplan daarvoor in een of andere procedure voorziet zodat er toch enige opvolging gebeurt zodat incidenten bij inspecties bijgehouden worden. Ik hoop dat wij daar weet van kunnen krijgen en dat er meer statistieken bijgehouden worden van die situatie. Het is misschien niet evident dat te doen. Ik heb soms de indruk dat men nog altijd zoekend is naar de beste manier. Kortom, ik ben bijzonder benieuwd naar het actieplan. Ik ben wel blij dat het er komt. Inzake de groepshuisvesting van zeugen hinkt België achterop. De eerste les moet natuurlijk zijn dat wij niet moeten wachten tot Europa een nieuwe regelgeving uitvaardigt voor wij zelf gaan werken aan dierenwelzijn. U hebt terecht gezegd dat Nederland daar al langer mee bezig is, en wij pas sinds 2003. Ik meen dat het sensibiliseren van het algemeen bewustzijn inzake dierenwelzijn in ons land– ook bij de mensen uit de intensieve sector zelf en ook los van Europa – het ons makkelijker kan maken, in plaats van te wachten tot Europa zegt:” Nu moet het!” en dan vast te stellen dat wij achterop hinken. Ik meen dat dit de logica zelf is. Een volgende vaststelling is dat er sinds 2003 even een heropleving geweest. Daarna is het stilgevallen. Het is natuurlijk het stilvallen dat problematisch is. U hebt terecht op de economische conjunctuur gewezen. Evenwel, als u zegt dat u er geen zicht op hebt hoeveel van die mensen gaan stoppen, vraag ik mij af wat u gaat doen als u in 2013 vaststelt dat 60 % van de bedrijven nog altijd niet omgeschakeld is en ook niet gestopt is. wat zijn daarvan de gevolgen? Kunt u daar wat inzicht in geven? Ik zou niet graag vaststellen dat wij niet weten hoeveel er gaan stoppen – wij merken ook dat het stilvalt, en misschien ligt dat aan de crisis – maar als u niet een of ander begeleidingsplan of actieplan ontwikkelt, zullen wij in 2013 jammerlijke vaststellingen doen. Dat zou ik bijzonder jammer vinden.
… 10.08 Staatssecretaris Jean-Marc Delizée : Een kort antwoord op die lange repliek. Ik zie geen probleem. Ik heb er geen probleem mee om informatie te geven over de inhoud van het actieplan en de verschillende maatregelen die werden voorgesteld. Ik stel voor om die informatie te bezorgen aan de voorzitter van de commissie zodat de leden ze kunnen raadplegen.
|