|
Vraag van mevrouw Meyrem Almaci aan de staatssecretaris voor Begroting, voor Migratie- en asielbeleid, voor Gezinsbeleid en voor de Federale Culturele Instellingen over "de visumplicht voor Turkse werknemers" (nr. 17596)
COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN, DE ALGEMENE ZAKEN EN HET OPENBAAR AMBT
10-02-2010 Bron : http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/52/ic792.pdf
Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, het was een boeiend debat, maar mijn vraag handelt over iets anders, namelijk over de afschaffing van de visumplicht voor Turkse werknemers. Ik heb de vraag vorig jaar al gesteld aan de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken en kreeg een aantal maanden later een antwoord van collega Chastel. Sindsdien was de vraag hangende bij mevrouw Turtelboom, die u ondertussen hebt vervangen als staatssecretaris voor Migratie-en Asielbeleid. Ik zal u wellicht de hele context niet moeten schetsen, maar in februari van vorig jaar kwam er een uitspraak van het Europees Hof van Justitie, het arrest C-228/06, dat eigenlijk stelde dat de EU niet langer een visumplicht mag opleggen aan een Turkse werknemer die een lidstaat binnenkomt om er voor een in Turkije gevestigde onderneming diensten te verrichten, zolang dat die visumplicht nog niet bestond op 1 januari 1973. België voerde pas in 1980 een algemene visumplicht, visa voor kort verblijf, in voor Turkse onderdanen. Uw collega Chastel heeft in zijn antwoord benadrukt dat België met Turkije echter al een bilateraal akkoord had dat dateert van 2 januari 1956, en dat reeds een visumplicht oplegde voor een verblijf van maximum drie maanden aan Turkse onderdanen die gelijkgesteld kunnen worden met dienstverleners. Kortom, Turkse werknemers blijven volgens collega Chastel onderworpen aan de visumplicht. Hij heeft ook gezegd dat deze analyse geconfirmeerd moest worden door de bevoegde staatssecretaris, in dit geval bent u dat. Mijn vraag is heel concreet: is dat arrest al dan niet van toepassing op elgië, en waarom? Wat is de stand van zaken sinds vorig jaar? Uw collega heeft namelijk na diepgaande analyse beweerd dat het enkel van toepassing zou zijn op Denemarken en Duitsland, maar hij heeft nooit deze diepgaande analyse gefundeerd. Ik vroeg mij af of dat ondertussen al duidelijk is. Kan u bevestigen wat meneer Chastel zei, en wat toch in tegenspraak is met de eerdere Europese berichtgeving rond deze problematiek, om uiteindelijk duidelijkheid te scheppen over de visumplicht voor Turkse werknemers die in ons land komen werken, zonder hen te dwingen om rechtszaken aan te gaan? Dat moet namelijk de doelstelling zijn.
09.02 Staatssecretaris Melchior Wathelet: Mevrouw Almaci, ik kan u bevestigen dat ik op de hoogte ben van het arrest van 19 februari 2009. In het arrest behandelt het Europees Hof van Justitie inderdaad de vraag in welke mate een lidstaat visumplicht mag opleggen aan Turkse werknemers die hier diensten komen verrichten voor een in Turkije gevestigde onderneming. Vooraleer in te gaan op de impact van het arrest wil ik er graag op wijzen dat het beleid inzake visa voor kort verblijf een EU-materie is. Dat is zo sinds het verdrag van Amsterdam. Bijgevolg is een gecoördineerde Europese aanpak in dit verband onontbeerlijk. De Commissie finaliseerde op 29 september 2009 specifieke richtsnoeren die in dit verband moeten worden gevolgd. Belangrijk is hierbij op te merken dat de huidige Belgische analyse in de Europese richtsnoeren wordt weerhouden. Meer concreet kan ik de analyses van de minister van Buitenlandse Zaken u bezorgd door staatssecretaris Chastel, bevestigen. De vraag die gesteld dient te worden is immers of er in België reeds voor 1 januari 1973 een visumplicht van toepassing was op de hier bedoelde vreemdelingen. Op deze datum trad namelijk de standstill clausule van het aanvullend protocol bij de associatieovereenkomst tussen de EEG en Turkije in werking. Vanaf toen konden de toen geldende voorwaarden niet meer worden verstrengd of ingeperkt. Zoals door mijn collega opgemerkt, stelt het bilateraal verdrag van 1956 duidelijk dat de met het verdrag ingevoerde visumvrijstelling niet geldt voor personen die dienstverlenende activiteiten komen verrichten tijdens hun kort verblijf. Het is dus niet terecht te stellen dat voor deze vreemdelingen pas in 1980 een visumplicht werd ingesteld. Integendeel, in 1980 werden in de nieuwe Belgische vreemdelingenregelgeving andere categorieën geviseerd dan de werknemers, namelijk Turkse onderdanen die naar hier komen voor toerisme, familiebezoek of andere redenen die een kort verblijf rechtvaardigen. Wel is het zo dat het arrest in theorie gevolgen heeft voor de volledige Schengen-ruimte. Ik gaf immers reeds aan dat het visumbeleid voor kort verblijf Europees geharmoniseerd is. In de praktijk is de impact van het arrest echter beperkt omdat bijna alle staten een uitzonderingsclausule hadden toen zij het aanvullende protocol van 1973 aannamen. Bijna allen hadden een regeling die gelijkaardig is als deze die volgt uit het bilateraal verdrag van 1956 dat tussen België en Turkije geldt. De grote uitzonderingen hierop zijn Duitsland en Denemarken. De richtsnoeren van de Commissie behandelen dan ook de specifieke situaties van Turkse werknemers die bijvoorbeeld via Duitsland of Denemarken naar België reizen, of omgekeerd. Samengevat, de situatie is vandaag duidelijk. Turkse werknemers moeten in het bezit zijn van een visum voor kort verblijf wanneer ze België als hoofdbestemming hebben in het raam van een kort verblijf, en wanneer zij in België werken voor een onderneming die in Turkije gevestigd is. Dat is al zo sinds 1956.
09.03 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Het antwoord is duidelijk. Ik ben helemaal akkoord wanneer u zegt dat er een gecoördineerde Europese aanpak noodzakelijk is. Zeker, en dat heeft u ook benadrukt, wanneer er effectief verschillende uitzonderingen zijn die niet de verdienste van de duidelijkheid hebben. Ik hoop dat u daar een beetje achter zit. Binnenkort zijn wij Europees voorzitter. Ik ben benieuwd of ons land op dat niveau enige daadkracht zal tonen om tot een gecoördineerde aanpak te komen. Het heeft geen zin om in een eengemaakt Europa te wonen als iedereen andere regels hanteert,met hier en daar een uitzondering, voor werknemers die komen uit een land dat ondertussen kandidaat is voor toetreding tot diezelfde Europese Unie. Die politieke analyse moeten wij in het voorzitterschap meenemen. Ik ben blij dat u duidelijkheid heeft geschapen. Als de hoofdbestemming België is, dan is er een visum nodig. Is de hoofdbestemming Duitsland of Denemarken met België als nevenbestemming, dan is het omwille van de uitzondering niet nodig om opnieuw een dergelijk visum aan te vragen. Dit soort van informatie moet dringend aan de betrokken bedrijven worden doorgegeven, omdat men heel erg is geïnteresseerd in een economische samenwerking met Turkije. Deze praktische zaken staan los van een eventueel lidmaatschap van Turkije. Ze bemoeilijken de situatie. Het is in het belang van de Belgische economie en van goede onderhandelingen en verhoudingen met Turkije en haar economie dat we zulks uitklaren. Deze informatie moet worden doorgegeven. Wij hebben belang bij zo duidelijk mogelijke afspraken die zo goed mogelijk worden opgevolgd. Ik ben het helemaal met u eens dat we een Europees gecoördineerd beleid moeten ontwikkelen.
Het incident is gesloten. |