Home Parlement Financiën en begroting Verhoging van de maximaal toegelaten basisrentevoet op een spaarrekening
Verhoging van de maximaal toegelaten basisrentevoet op een spaarrekening
dinsdag, 08 juli 2008 14:56

mevrouw Meyrem Almaci aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over "de verhoging van de maximaal toegelaten basisrentevoet op een spaarrekening" (nr. 6718)


Bron en volledig verslag http://www.dekamer.be/doc/CCRI/pdf/52/ic292.pdf

COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN DE BEGROTING

dinsdag 08-07-2008

Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, er werd al heel wat gezegd. Een aantal weken geleden schreef Rabobank minister Reynders aan om de maximaal toegelaten basisrente van 4% te verhogen. Ook Test Aankoop stelde, zoals gezegd, het plafond op de basisrente in vraag. Rabobank en verschillende andere banken zijn van mening dat het voor de klant beter is om de basisrente te verhogen in plaats van een verhoogde groei- en  getrouwheidspremie aan de basisrente te koppelen. Beide premies zijn immers effectief aan precieze voorwaarden gekoppeld en zijn ook minder transparant voor de klant. Ondertussen is de inflatie behoorlijk hoog geworden. In mei 2008 bedroeg ze 5,2%. Economisten voorspellen dat de inflatie in 2008 op jaarbasis 4% zal bedragen. Dat komt overeen met de maximale basisrente van vandaag. Dat betekent concreet dat het spaargeld van een hele hoop kleine spaarders in 2008 niks zal opbrengen. Integendeel, de intresten zullen niet langer volstaan om de stijgende levensduurte te compenseren. Wij hebben allen gehoord dat minister Reynders in de krant verklaarde dat hij weinig tijd heeft, omdat hij volop bezig is met sociaaleconomische maatregelen. Vandaag konden wij vanwege de premier in de krant lezen dat hij geen of geen al te grote maatregelen zal nemen om de koopkracht te verhogen. Tegelijkertijd hoorden wij van minister Reynders dat hij bereid zou zijn de basisrente te verhogen. Er is dus heel wat onduidelijkheid. Er is evenmin duidelijkheid over de vraag wanneer de basisrente zou worden verhoogd. Er is ook geen duidelijkheid over de koopkrachtmaatregelen. Dat is echter een vraag voor volgende week. Uitgaande van de uitspraken van de minister in antwoord op de vele vragen van verschillende banken, heb ik dan ook de volgende vragen. Zij zijn eigenlijk voor de minister van Financiën bestemd, maar ik hoop dat u mij in uw hoedanigheid van staatssecretaris ook kan antwoorden.Wat is de reden voor de beperking tot 4%? Bent u in uw hoedanigheid van staatssecretaris en hopelijk samen met de minister van Financiën bereid om voornoemde bovengrens te herzien? Is het niet wenselijk bedoelde bovengrens af te schaffen en de banken vrij te laten in het bepalen van hun basisrente? Indien u zulks niet vindt, tot hoever bent u bereid om de maximale basisrente te verhogen, wetende dat een plafond, om een liberale uitspraak te gebruiken, de concurrentie tussen banken afremt? Zou het niet aangewezen zijn om een variabele bovengrens te hanteren, bijvoorbeeld door de basisgrens af te stemmen op de Euribor, niet op drie maanden maar op een jaar, verhoogd met 100 basispunten als marge? Vindt u het wenselijk om de spaarrekening transparanter te maken en dus het voorstel van Test Aankoop over de intrestberekeningen niet langer op basis van de drie rentevergoedingen – basisrente, aangroeipremie en getrouwheidspremie – te laten gebeuren?


10.05 Staatssecretaris Bernard Clerfayt: Mijnheer de voorzitter, de werking van gereglementeerde spaarrekeningen wordt geregeld door artikel 21, ten vijfde van het WIB ’92 en artikel 2 van het koninklijk besluit tot uitvoering van dat wetboek. Overeenkomstig artikel 21, ten vijfde van het WIB ’92 vormt de eerste schijf van interesten uit spaardeposito’s voor het inkomstenjaar 2008 een bedrag van 1.660 euro geen belastbaar inkomen in de personenbelasting wanneer deze deposito’s voldoen aan bepaalde vereisten die de Koning stelt op advies van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen. Het advies van de CBFA houdt verband met haar rol van prudentiële toezichthouder van de kredietinstellingen. Bij wijzigingen van deze voorwaarden zal de commissie aandacht hebben voor de mogelijke impact op het risicobeheer van de instellingen. De voornoemde vereisten hebben onder meer betrekking op het niveau en de wijze van de rekening van de vergoeding van de deposito’s. De concrete voorwaarden zijn opgenomen in het artikel 2 van het KB van het WIB ’92. Artikel 2, ten vierde, bepaalt gedetailleerd de vergoedingsstructuur en de maximale basisrenten en premies. Zo bestaat op dit ogenblijk de vergoeding van de spaardeposito’s verplicht uit een basisrente en een getrouwheidspremie en of aangroeipremie. De basisrentevoet die een instelling toekent mag 4% niet oververschrijden. De rentevoet van de getrouwheidspremie en de rentevoet van de aangroeipremie mag niet hoger liggen dan 50% van de maximale basisrentevoet en bedraagt bijgevolg maximum 2%. De eventuele wijziging van de voormelde voorwaarden vereist bijgevolg een koninklijk besluit tot wijziging van het voormalig koninklijk besluit. Historisch gezien werd de fiscale vrijstelling van de eerste inkomensschijf uit gereglementeerde spaardeposito’s steeds onderworpen aan de naleving van een aantal voorwaarden. De basisgedachte hierbij was dat de vrijstelling moest worden gezien als een initiatief van de wetgever om het sparen aan te moedigen. De vrijstelling mocht dan ook slechts betrekking hebben op inkomsten uit deposito’s met een relatieve stabiliteit. De voorwaarden thans opgenomen in artikel 2 van het KB WIB ’92 hadden dan ook tot doel de feitelijke stabiliteit van de deposito’s te bevorderen, vandaar onder meer de voorwaarde van de verplichte toekenning van een aangroeien/ of getrouwheidspremie. Wat de basisrentevoet betreft, wordt in herinnering gebracht dat sinds het koninklijk besluit van 13 maart 1986 de maximum basisrentevoet door de koning wordt vastgesteld daar waar dit voorheen aan de financiële sector werd overgelaten. De bedoeling toen was te vermijden dat  rentevoorwaarden werden geboden die de marktvoorwaarden te boven gingen en die grotendeels steunden op de fiscale gunstregeling voor de spaardeposito’s. De maximum basisrentevoet werd in de tweede helft van de jaren ’80 en het begin van de jaren ’90 van de vorige eeuw verschillende malen aangepast en bedraagt thans 4%. De verschillende Koninklijke besluiten houdende een aanpassing van de maximum basisrentevoet werden steeds genomen op eensluidend advies van de toenmalige Bankcommissie en na overleg met de Nationale Bank van België en de vereniging van de kredietinstellingen. In tegenstelling tot wat velen menen, bedraagt de maximale rente op dergelijke spaardeposito’s niet 4% maar wel 6%. Tot op heden is er slechts een financiële instelling die de maximale rente toekent. Verder wordt de vraag gesteld naar de wenselijkheid van de wijziging van bepaalde voorwaarden verbonden aan de spaardeposito’s en naar de contacten hierover met de CBFA en de Nationale Bank. Hieromtrent kan ik u meedelen dat met de CBFA, de Nationale Bank en Febelfin reeds overleg heeft plaatsgevonden – de minister heeft de tijd gevonden – om de impact van eventuele wijzigingen te bestuderen. Er wordt thans onderzocht of een verhoging van het basistarief wenselijk is.


Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de voorzitter, mijnheer de staatssecretaris, het is jammer dat de minister hier niet is. Mijnheer de staatssecretaris, ik wil u  confronteren met de uitspraak van de eerste minister vandaag in de kranten, in antwoord op de verschillende vakbonden. Hij zegt dat er naar 15 juli toe zeer weinig ruimte is om maatregelen te nemen voor de koopkracht, lees er zullen geen maatregelen genomen worden om de koopkracht te verhogen. Als minister Reynders dan ook nalaat om debasisrente op de spaarboekjes tegelijk te verhogen of het KB aan te passen en te doen wat hij op relatief korte termijn kan doen, alsook de hoogdringendheid die wij vorige week in plenaire vergadering hebben goedgekeurd naast zich neerlegt, kan ik mij alleen maar de vraag stellen hoe serieus deze regering het meent met de koopkracht. Alles tezamen zien wij dus dat er geen enkele degelijke maatregel wordt genomen tegen 15 juli om de koopkracht verder te verhogen, terwijl de inflatie ondertussen de pan uit swingt. Wij zien ook dat verschillende kleine banken effectief vragende partij zijn en dat Test-Aankoop effectief vragende partij is. Wij zien dat wij nu een KB hebben uit 1992 dat verhindert dat de vrije markt kan spelen in het voordeel van de kleine spaarder. Dan zou het een heel goed signaal zijn als onze minister wat meer uit zijn kot zou komen, als u als staatssecretaris wat meer uit uw kot zou komen en een aantal maatregelen zou nemen die de kleine spaarder echt ten goede komen. Als wij dan kijken naar de minister van Financiën van Nederland, die voor de situatie met betrekking tot een specifieke grootbank wel een aantal uitspraken durft doen, die wel een appel doet naar aanleiding van heel de situatie, die slecht is voor de beleggers, die slecht is voor de kleine spaarders, dan vraag ik mij af waarop onze minister met gekruiste armen staat te wachten. Ik hoopte dat de regering iets enthousiaster zou zijn. Ik kan alleen maar vaststellen dat de apathie hoogtij viert en dat wij voor de koopkracht nog heel lang kunnen wachten. Immers, er komen geen degelijke maatregelen, al zijn ze nog zo gemakkelijk te nemen.


Staatssecretaris Bernard Clerfayt: Heel kort, om het duidelijk te maken, vier elementen die ik heb gegeven. Ten eerste, tot nu toe is er nog maar een bank die het maximum hanteert. Ten tweede, de minister waakt erover, overleg is aan de gang en wij moeten het advies van de CBFA hebben. De CBFA is ook verantwoordelijk voor de stabiliteit van de banksector. Dat is ook een belangrijk element waarvoor we aandacht moeten hebben. Ten vierde, een wijziging van het KB heeft het advies van de CBFA nodig. Dat is alles wat ik wil herhalen.

 

 
Banner

RocketTheme Joomla Templates