|
Vraag van mevrouw Meyrem Almaci aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over "de DBI-aftrek en de moeder-dochterrichtlijn" (nr. 5328)
Bron en volledig verslag http://www.dekamer.be/doc/CCRI/html/52/ic219x.html COMMISSIE VOOR DE FINANCIËN EN DE BEGROTING
DINSDAG 20 MEI 2008
08.01 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de minister, dit gaat om de aftrek van de definitief belaste inkomsten en de moeder-dochterrichtlijn. In het kader van de rechtszaak van Cobelfret, een transportfirma, tegen de Belgische fiscus, stelde de rechter van het hof van beroep een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie. De advocaatgeneraal, Eleanor Sharpston, achtte het Belgisch DBI-stelsel in strijd met de moeder-dochterrichtlijn van de EU. Artikel 205, lid 2 van het WIB ’92 bepaalt inderdaad dat de DBI-aftrek beperkt is tot het bedrag van de winst van het belastbare tijdperk. Bedrijven die verliezen lijden kunnen dus geen gebruik maken van de DBI-aftrek op dividenden die ze van hun dochtermaatschappijen ontvangen. Volgens de advocaat-generaal maakt België de belastingvrijstelling afhankelijk van een voorwaarde die evenwel niet in de richtlijn is opgenomen, met name die van de tijd. Indien het Europees Hof van Justitie met de argumenten van de advocaatgeneraal instemt, dan dreigt de Belgische Staat honderden miljoenen te verliezen. Volgens advocaat Alain Huyghe, die met meerdere dergelijke zaken naast Cobelfret is belast, zal het verlies aanzienlijk hoger zijn dan de raming die de fiscus zelf heeft gemaakt, met name een raming van 400 miljoen. Naar aanleiding van die zaak, mijnheer de minister, had ik u graag enkele vragen gesteld. Hoeveel bedrijven hebben effectief een bezwaar ingediend met betrekking tot de beperking van de DBI-aftrek voorzien in artikel05, lid 2? Hoeveel van deze bezwaren hebben effectief ook aanleiding gegeven tot een rechtszaak? Hoeveel beloopt het gezamenlijk bedrag aan betwiste DBI-aftrek? Bestaat er een risico van oneigenlijk gebruik van de DBI-aftrek indien de voorwaarde van artikel 205, lid 2 wordt afgeschaft? Welke beperkende voorwaarden zijn toegelaten door de moeder-dochterrichtlijn volgens de Europese Unie? Bent u bereid andere voorwaarden voor te stellen die de DBI-aftrek en de mogelijke misbruiken ervan kunnen beperken? 08.02 Minister Didier Reynders: Mijnheer de voorzitter, ik wil mevrouw Almaci er vooreerst aan herinneren dat in de zaak Cobelfret tegen de Belgische fiscus, het oordeel van de advocaat-generaal nog geen arrest van het Europees Hof van Justitie is. Het arrest wordt niet voor december 2008 verwacht. Wat de vijf door u gestelde vragen betreft, kan ik u het volgende meedelen. Het aantal bezwaarschriften dat tot nog toe in deze zaak is ingediend is niet bekend. De administratie houdt in een centraal bestand wel het totaal aantal bezwaarschriften per belastingsoort bij, maar maakt geen verdere opsplitsing naar de aard van het bezwaar per belasting. Er is dus een algemene regeling, maar niet bezwaar per bezwaar. Met de verdere informatisering zal dit binnen afzienbare tijd wellicht mogelijk zijn. Ik heb geen precieze cijfers per categorie van bezwaar tegen een specifieke belasting. In de aanhef van uw vraag verwijst u terecht naar het standpunt van de advocaat-generaal bij het Europese Hof van Justitie. Momenteel is er echter nog geen concrete uitspraak geveld in de aangelegenheid. België is momenteel nog niet veroordeeld. Het ligt voor de hand dat de budgettaire impact pas met de nodige precisie zal kunnen worden bepaald als alle details van een eventuele veroordeling bekend zijn. Pas op dat moment kan ik u relevante cijfers ter zake mededelen. De opheffing van de beperking tot het bedrag van de overgebleven winst van het belastbaar tijdperk, als bedoeld in artikel 2005, §2, van het WIB 1992, zal waarschijnlijk het risico van oneigenlijk gebruik niet vergroten. De richtlijn 90/435EG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten bepaalt het volgende. Ten eerste, de betrokken vennootschap van een lidstaat moet een vennootschap zijn die een in de bijlage van de richtlijn genoemde rechtsvorm heeft, die volgens de fiscale wetgeving van een lidstaat wordt beschouwd in de staat haar fiscale woonplaats te hebben en die volgens een met een derde staat gesloten verdrag op een gebied van dubbele belastingheffing niet wordt beschouwd als fiscaal buiten de Gemeenschap te zijn gevestigd, die bovendien zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld onderworpen is aan de vennootschapsbelasting van haar lidstaat. Ten tweede, de moedervennootschap moet een minimale deelneming van ten minste 10% bezitten in het kapitaal van de dochtervennootschap. Ten derde, de moedervennootschap kan worden genoopt, gedurende een ononderbroken periode van ten minste twee jaar, een minimumdeelneming te behouden. Die periode is in België beperkt tot een jaar. Ten vierde, de lidstaat heeft de keuze tussen een verrekeningsregeling of vrijstellingssysteem. België gebruikt een vrijstellingssysteem. Ten vijfde, de forfaitaire kosten van beheer mogen niet meer dan 5% bedragen van de door de dochteronderneming uitgekeerde winst. Volgens de advocaat-generaal kan België niet eenzijdig beperkende maatregelen, buiten de maatregelen in de richtlijn, vaststellen. Ik nodig u uit om mij in kennis te stellen van u bekende mechanismen of constructies, zodat zij aan de administratie ter bestudering kunnen worden voorgelegd. Wij moeten wachten op het arrest en een eventuele veroordeling. Ik mag mijn administratie vragen een onderzoek te doen op basis van verschillende gegevens die u ter beschikking zult stellen.
08.03 Meyrem Almaci (Ecolo-Groen!): Mijnheer de minister, ik dank u voor de uitleg. Het is heel jammer dat de automatisering nog niet ver genoeg is gevorderd om duidelijk te maken hoeveel het totale bedrag aan betwiste DBI-aftrek is en hoeveel bezwaren er zijn. Ik wacht het najaar af en de concrete uitspraken ten opzichte van ons land. Ik heb nog een vraag. Er wordt gesteld dat bedrijven die na enkele verlieslatende jaren in een winstgevend jaar belasting betaalden zonder de volle DBI-aftrek, waarop ze volgens de Europese richtlijn alsnog recht hebben, achter het net zouden vissen, maar degenen die tot aan de uitspraak verlies na verlies lijden, dat niet zullen doen. Dat is conform uw uitspraak. In zekere zin bedrijven die tot nu toe verlieslatend zijn en na de uitspraak opnieuw winst zullen maken, zullen wel worden gecompenseerd, terwijl degenen die al opnieuw winst maken, niet meer. Dat betekent voor hen wel een onherroepelijk verlies, dat de fiscus niet zal moeten betalen. Ik houd het verder in de gaten en ik dank u voor uw antwoord.
Het incident is gesloten.
|