|
Na de fiscale amnestie (eenmalige bevrijdende aangifte) werd er een systeem van permanente regularisatie opgericht. Dit systeem voorziet dat een belastingplichtige niet aangegeven inkomsten kan regulariseren door een boete van 10% te betalen bovenop de verschuldigde belasting. Stel dat een belastingplichtige 10 jaar geleden een inkomen van 100.000 euro heeft verworven waarop hij geen belastingen heeft betaald. Dit bedrag werd in het buitenland belegd aan een interest van 5% per jaar (50.000 euro over 10 jaar). De belastingplichtige heeft de keuze tussen twee regularisaties. Beide keuzes hebben voor- en nadelen.
De eerste optie is een algemene regularisatie op het oorspronkelijke inkomen en de interesten die hij verworven heeft. Dit zou hem een slordige 67.500 euro kosten [(50% + gemeentelijke opcentiemen) van 100.000 + (15%+10%) van 50.000] of iets minder dan 50% van het globale bedrag. Het voordeel is dat de belastingplichtige strafrechtelijke immuniteit verdient. Het nadeel is dat dit een vrij dure operatie is. De tweede optie is een gedeeltelijke regularisatie enkel op een deel van de interesten. Aangezien de aanslagtermijn 3,5 of 7 jaar bedraagt, kan de belastingplichtige kiezen om enkel de interesten van de laatste 7 jaar te regulariseren. Dit zou hem 8.750 euro kotsen [(15%+10%) van 35.000] of 5,8% van het globale bedrag. Het voordeel van deze regularisatie is ongetwijfeld de zeer lage kost ervan. Het nadeel is dat de belastingplichtige geen strafrechtelijke immuniteit kan bekomen omdat men op het strafgebied verder in de tijd kan gaan dan de fiscale aanslagtermijn van 7 jaar. Dit is wel pure theorie. De praktijk is helemaal anders. De belastingplichtige kan zelf en vrij kiezen welke regularisatie hij wenst. Kan een verzoek tot regularisatie van interesten aanleiding geven tot verder onderzoek van de fiscus naar de oorsprong van het inkomen? Het antwoord is neen. Het is aan de locale controleurs verboden om verder onderzoek te voeren over de regularisaties. Deze moeten genoegen nemen met het attest van regularisatie en kunnen verder daarover geen bijkomende vragen of verder onderzoek stellen. Dit belet uiteraard niet aan de parketten om een eigen onderzoek in te stellen. Het parket zal de informatie echter niet van de fiscus mogen ontvangen. Zonder informatie is de kans onbestaand dat er een strafrechtelijke procedure volgt. In de praktijk mag een fraudeur op zijn beide oren slapen. Door een belasting van iets meer dan 5% te betalen is hij verzekerd dat de fiscus en het gerecht hem ongemoeid zal laten. Wie zou er zo gek zijn om nog eerlijk zijn inkomsten aan te geven? Er is ook een tweede, zeer perfide kant aan dit verhaal. Minister Reynders heeft vorige week in commissie in antwoord op de uitlatingen van de heer Anthonissen, directeur van de bijzonder belastingsinspectie in Gent, aangegeven dat de gemiddelde aanslagvoet bij de regularisatie van zwart geld 31% bedraagt en dat er dus geen regularisaties gebeuren aan bradeerprijzen. Een nieuwsbrief van een gerenommeerd advocatenkantoor doorprikt echter deze reactie van de minister. Het stelt dat een correcte lezing van de wet leidt tot een gemiddelde heffing van 46,5 procent op het zwarte kapitaal dat men wil regulariseren. Maar in de praktijk zijn enkel de zwarte inkomsten van de jongste 3 tot 7 jaar van belang. De fiscale administratie kan immers toch niet verder gaan. In de praktijk betalen fraudeurs volgens het advocatenkantoor dan ook amper ‘5,4 procent’, het cijfer waarnaar Anthonissen eerder verwees. Alles hangt echter af van de strategische beslissing die de belastingplichtige neemt. Uit de cijfers van de Dienst Voorafgaande Beslissingen blijkt alvast dat voor elke euro aan beroepsinkomsten er 4 euro aan ‘overige’ inkomsten worden geregulariseerd. Hieronder vallen de inkomsten waarop roerende voorheffing moet worden betaald, zijnde intresten op kapitaal, obligaties, dividenden op aandelen enzomeer. De aanslagvoet + boete ligt hier effectief tussen 25% en 35%. En zo komt Reynders aan zijn gemiddelde aanslagvoet. De cijfers uit het jaarverslag spreken boekdelen. Sinds 2006 is maar liefst 421 miljoen euro geregulariseerd in de categorie ‘overige’, tov. een kleine 84 miljoen aan beroepsinkomsten. een simulatie uitgaande van 5 jaar intresten aan 5% leert dat het minimumbedrag dat de overheid is misgelopen door haar achterpoort niet te sluiten 909 miljoen euro is (berekening in bijlage). Maximaal verloor de overheid 1.8 miljard euro aan inkomsten. Dit is hallucinant in tijden van crisis, waarbij de bevolking mag opdraaien voor het gat in de begroting. Als advocatenkantoren vandaag zwart op wit schrijven dat fraudeurs ‘vrij ongeschonden’ hun zwart geld kunnen witwassen, dan is dit een teken aan de wand. Het feit dat onze minister van Financiën zich van dit soort boodschappen niks aantrekt, is ronduit stuitend. Wat heeft het voor zin 2 staatssecretarissen voor de fraudebestrijding te hebben als er een minister van Financiën is die zich de achterpoortjes wagenwijd openlaat, en ook nog eens zijn eigen ambtenaren schoffeert als ze de gang van zaken aanklagen? Het wordt hoog tijd dat deze meerderheid haar prioriteiten stelt. De Europese spaarrichtlijn, de steeds voortschrijdende opheffing van het bankgeheim in dubbelbelastingsverdragen, de groeiende informatieuitwisseling tussen landen zijn een forse steun voor wie de fiscale fraude echt wil aanpakken. De uiteindelijke conslusie is zeer eenvoudig: De gedeeltelijke regularisaties moeten stoppen. Alleen wie al zijn zwart geld regulariseert, mag nog een attest krijgen. De overheid kan deze boodschap ook best klaar en duidelijk de wereld insturen. In Nederland heeft de simpele aankondiging van een vergelijkbare beleidswijziging de schatkist op 7 maanden tijd 335 miljoen euro opgeleverd (cfr. Michel Maus, 02/10/2099 in De Morgen). Waar wachten we nog op???
Berekening misgelopen inkomsten overheid
Met een gemiddelde heffingsvoet van 31% voor de regularisaties is het niet anders mogelijk dan dat het merendeel van de regularisaties roerende voorheffing betreft (eventueel BTW). Dit wordt bevestigd door de cijfers in het jaarverslag van de Dienst Voorafgaande Beslissingen. De belastingsvoet in de personenbelasting ligt voor hoge inkomens (>50.000) al gauw aan 54% (50% + 8% gemeentelijke opcentiemen). De roerende voorheffing op interesten is 15% en op dividenden is die 25%, als men daar de boete van 10% bij optelt komt men op een heffingsvoet van respectievelijk 25% en 35%. Voor elke euro aan beroepsinkomen dat wordt geregulariseerd zijn er dus minstens 4 euro aan roerende inkomsten die worden geregulariseerd.
Hieronder de berekening van de daardoor misgelopen bedragen die wij gemaakt hebben op basis van de cijfers die zijn vrijgegeven door het contactpunt Regularisaties, in het jaarverslag 2008 van de Dienst Voorafgaande Beslissingen (zie gescand document bijlage 2) .
Stel dat de belastingplichtigen ervoor kiezen om gemiddeld 5 jaar interesten te regulariseren aan een jaarlijkse rente van 5% (hetzij 5% * 5 = 25%). Men kan hieruit afleiden dat het kapitaal 1.684 miljoen euro bedraagt (421 miljoen / 25%). Indien dit bedrag geregulariseerd was geweest als beroepinkomsten aan 54% (50% + 8% opcentiemen) dan had dit de schatkist 909 miljoen opgebracht tussen 2006 en 2008 (over 3 jaar). Dit is een minimale raming. Een deel van de roerende inkomsten zijn ook dividenden. Dividenden bedragen gemiddeld 2,5% per jaar. Als men dit rendement als basis neemt voor de berekening van het kapitaal dan bekomt men 3.368 miljoen (421 / (2,5% *5)). De verloren belastingen zouden oplopen tot 1.818 miljoen. De werkelijkheid ligt dus ergens tussen 909 miljoen en 1.818 miljoen.
|