|
Minister van inburgering Marino Keulen is duidelijk boos. In zijn opiniestuk van 16 december 2008 (De Morgen) reageert hij op het stuk van Dany Neudt (Kif Kif) en schrijft "U zult uw tijd wellicht beter kunnen gebruiken dan met het lezen van een tekst vol leugens, verdraaiingen en persoonlijke aanvallen. Tenzij u toevallig een studie aan het maken bent van de retoriek." Wij nemen de suggestie van minister Keulen ter harte en plaatsen zijn retoriek onder onze loep en vergelijken deze met de realiteit.
Een eerste vaststelling is dat minister Keulen zelf behoorlijk wat retorische trucjes uit zijn mouw schudt. Met plaatsgebrek als argument, gaat hij bijzonder selectief om met de kritieken die Kif Kif aanreikt. Zo gaat hij niet in op de ruime navolging die zijn koppeling tussen Nederlands leren en het recht op een sociale woning of leefloon heeft gekregen. Hij negeert dat de verplichte inburgeringscursus voor velen betalend geworden is. Ook de meest fundamentele kritiek op de onderliggende visie van het inburgeringsbeleid laat hij liggen. In eerste instantie gaat het om het verschil in eisen die de minister stelt aan 'allochtonen ' (nieuwkomers en oudkomers) en 'autochtonen'. Het gaat hier geenszins om holle retoriek. De uitspraken van Marino Keulen in de Metro en in de Morgen zijn tekenend voor de onevenwichtige toewijzing van rechten en plichten. Als de minister spreekt over de ontvangende samenleving zijn verplichtingen namelijk taboe. Zo stelt hij onomwonden dat er geen andere weg is "dan mensen en bedrijven te stimuleren en te sensibiliseren vanuit de visie dat ook iemand met een donkere huidskleur de hoogste toegevoegde waarde kan hebben." Bedrijven mogen volgens hem geenszins verplicht worden om een weerspiegeling te zijn van de interculturele realiteit, want verder dan sensibiliseren hoef je niet te gaan. De plichten aan de zijde van de nieuwkomers daarentegen zijn uitgebreid: ze worden verplicht zich te laten 'inburgeren', op straffe van een aanzienlijke geldboete. Ze moeten de universele waarden 'aanleren' en onderschrijven. Het is hun plicht om te zorgen voor de nodige informele circuits die leiden tot werk ('want zo gaat dat nu eenmaal in kmo-land Vlaanderen'). En laat ze vooral niet structureel 'samenhokken'. We geven nieuwkomers inderdaad meer kansen door ze verplicht Nederlands te leren en ze uit te leggen hoe onze samenleving in elkaar zit. Maar daarmee is de kous niet af. Keulen mag er dan wel als de kippen bij zijn om te stellen dat inburgering van twee kanten moet komen, uit zijn discours en beleid blijkt duidelijk dat autochtonen een pak minder moeten. Retoriek zit in woorden en ook daar toont minister Keulen zich een meester. Zo stelt hij uitdrukkelijk dat nieuwkomers geen Vlaamse, maar universele waarden aangeleerd krijgen. Dan rijst natuurlijk de vraag waarom we nieuwkomers die waarden moeten aanleren, als ze toch universeel zijn. En zijn die waarden wel zo universeel? Waarom moeten Belgen en nieuwkomers van binnen de EU of de topmensen van bedrijven die waarden niet verplicht aangeleerd krijgen? Misschien toch omdat de minister veronderstelt dat deze doelgroepen die waarden per definitie zouden ondersteunen, dat ze eigen zijn aan de 'westerse cultuur'? Retoriek verhult dan misschien de realiteit, ze verandert ze daarom nog niet. Diezelfde retorische strategie gaat ook schuil als de minister het inburgeringsbeleid en de sociale wooncode als een emancipatorisch beleid bestempelt. "In elk geval is ons inburgeringsbeleid een insluitingsbeleid, waarbij we mensen emanciperen en de kansen geven om in Vlaanderen hun leven uit te bouwen.", schrijft hij. Mocht dat het geval zijn, dan zou dat duidelijk moeten worden uit de statistieken. Helaas is dat tot vandaag niet het geval. Niet alleen de armoedecijfers spreken voor zich (meer dan de helft van de mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond leeft onder de armoedegrens). Ook de situatie in het onderwijs is er allerminst rooskleuriger op geworden. De PISA-rapporten tonen al jaren dat ons onderwijs er niet in slaagt de kwetsbare groepen in onze samenleving te emanciperen. Allochtone kinderen lopen (dikwijls) een schoolachterstand van meer dan twee jaar op in vergelijking met hun autochtone medeleerlingen. Ook de tewerkstellingcijfers spreken tegen dat we vooruitgang geboekt hebben. De OESO wond er weinig doekjes rond: "De lagere tewerkstellingskans is nadrukkelijk aanwezig en blijft zelfs bestaan bij gelijkwaardige opleiding, positie, klasse en ouderlijke achtergrond". België staat hierin op een bedroevende voorlaatste plaats in Europa. Het lijkt ons daarom duidelijk dat minister Keulen ofwel onvoldoende beleid heeft gevoerd, of dat hij als coördinerende minister van inburgering binnen de regering onvoldoende gewicht heeft gehad. Samengevat kunnen we stellen dat de minister de kritiek ten gronde niet weerlegt. Zijn 'bewijzen' als zou Vlaanderen een open, tolerante en kansenrijke regio is die in de spits van Europa zit, zijn weinig geloofwaardig. De cijfers en officiële rapporten wijzen uit dat dit louter retoriek is en weinig te maken heeft met de realiteit. Minister Keulen mag dan met zijn collega's in de regering pretenderen op tal van terreinen maatregelen genomen te hebben om discriminatie en racisme tegen te gaan, in de realiteit is hiervan weinig te merken. Het zou de minister sieren als hij een eerlijke analyse zou toelaten over zijn beleid van de laatste vijf jaar. Onze kritiek richt zicht echter niet enkel op het beleid van Keulen. Men zou zelfs kunnen stellen dat het beleid van Keulen symptomatisch is voor hoe rond interculturele thema's in Vlaanderen wordt gedacht: een beleid die de tweedeling autochtoon/allochtoon centraal plaatst, en sociale en maatschappelijke problemen bij deze laatsten in eerste instantie als 'integratieproblemen' kadert en duidt. Een beleid werkt echter pas 'insluitend' wanneer ze alle burgers op dezelfde manier responsabiliseert en behandelt. Ga naar www.kifkif.be voor de volledige lijst van ondertekenaars. Dit opiniestuk verscheen ook in De Morgen van 18 december 2008. |